Last van familiekarma?

familiekarma

Foto door: Anthony Catalano

In november vorig jaar zond de Boeddhistische Omroep de docu If mama ain’t happy, nobody’s happy uit. De jonge filmmaakster vraagt zich daarin hardop af of zij net zoals haar moeder, oma en overgrootmoeder nooit een lange relatie zal kunnen volhouden. Ik sprak met therapeut en boeddhist Linda Graham over de invloed van familiekarma. En vooral: wat je ertegen kunt doen.

Linda Graham werkt vanuit het gegeven dat het brein flexibel is en dat patronen in het brein (en dus ook in gedrag) rewired kunnen worden. Haar boek Bouncing Back gaat daarover. Ze combineert psychotherapie met mindfulness en inzichten uit de neurologie.

Bestaat er eigenlijk zoiets als ‘familiekarma’ binnen de boeddhistische leringen?
Nee, er wordt in de soetra’s niet gesproken over karma in relatie tot je familieleven, voor zover ik weet. Karma verwijst naar de relatie tussen onze handelingen en de impact daarvan op onze omgeving en onszelf. In die zin is elk individu verantwoordelijk voor zijn of haar eigen doen en laten. Dat geldt ook voor een individu in een familie.

Kun je dan überhaupt wel spreken van familiekarma?
Ik denk dat we allemaal wel aanvoelen wat er met de term familiekarma wordt bedoeld. Als een term intuïtief iets betekent voor mensen, dan mag je die gerust gebruiken. Je moet bedenken dat de toepassing van soetra’s in het huidige westen een veel dagelijkser karakter heeft dan in de tijd van de Boeddha. Boeddhisme gaat allang niet meer over een monnikenbestaan, maar over hoe we omgaan met ons leven hier en nu. Dus ik vind het prima om die term te claimen: tenslotte is er zoveel waar we als mensen mee worstelen en waarover de soetra’s met geen woord reppen.

In de film If mama ain’t happy, nobody’s happy uit filmmaakster Mea de Jong de angst dat zij net zo zal eindigen als haar alleenstaande moeder. Wat zou je Mea willen meegeven?
Tenzij Mea bewust kiest om het anders te doen, is de kans inderdaad groot dat zij de patronen in de familie overneemt. Dat zeg ik vanuit mijn jarenlange ervaring als therapeut. De stijl van hechting die je in je jeugd ontwikkelt is erg robuust. Zonder interventie nemen we zo’n 85 procent van wat we als kinderen leren over in ons volwassen leven.

Maar: dat hóeft niet. Er zijn vele manieren om in te grijpen. Therapie is een optie, een vorm van spirituele beoefening zoals mindfulness, of nieuwe vriendschappen en relaties, of het maken van reizen.

Als je beseft dat ons brein functioneert op basis van het aanleren van gewoonten, dan weet je dat je die gewoonten ook kunt wijzigen door middel van training. Je kweekt dus nieuwe gewoonten en die raken verankerd in het geheugen. Je denkt dan niet meer: arme ikke, maar: ik heb een keus.

Hoe gaat het erven van familiepatronen eigenlijk in zijn werk?
Als je het bekijkt door de bril van de hechtingstheorie van John Bowlby dan heeft het te maken met de zogenaamde hechtingsstrategie van het kind. Die strategie is bepalend voor het gedrag dat een kind in zijn of haar vroege jeugd leert en dat van generatie op generatie wordt doorgegeven.

In deze theorie zijn er vier stijlen van hechting te onderscheiden:

  1.   Veilige hechting. Dit treedt op als een baby van de ouders krijgt wat hij nodig heeft. Het kind ontwikkelt een gevoel van vaardig zijn. Ik vergelijk dit ook wel met het boeddhistische principe ontwaakt zijn in hart en geest.
  2.   Onveilig vermijdend. Dit gebeurt als de baby’s roep om zorg en hulp niet of met onverschilligheid wordt beantwoord. Het kind denkt: het heeft geen zin om hulp te zoeken. Het wordt daardoor zelfstandig en autonoom ten opzichte van de ouder, maar stelt zich in relaties ook defensief en stug op. Dat correspondeert voor mij met een van de drie vergiften: haat of afkeer.
  3.   Onveilig afwerend. De baby reikt uit, maar de ouders zijn onvoorspelbaar in hun reactie. Het kind verkeert hierdoor steeds in onzekerheid en klampt zich daarom in extreme mate vast aan de ouders. Dat komt overeen met begeerte, een van de andere twee vergiften.
  4.   Onveilig gedesorganiseerd. De baby reikt uit, maar de ouder reageert op een beangstigende manier, is bijvoorbeeld gewelddadig of geheel afwezig. De psyche van het kind raakt gefragmenteerd. Dat is te vergelijken met de derde van de vergiften: onwetendheid.

In feite zijn we dus ook een beetje machteloos, als het gaat om hoe we worden gevormd? Veel mensen zijn zich immers niet bewust van de invloeden uit hun jeugd.
Dat klopt. Wie geen willoos slachtoffer wil zijn van familiepatronen, moet leren te reflecteren op zijn of haar gedrag, gedachten en emoties en van daaruit bewust te kiezen. Mindfulness kan daarbij goed helpen: door aanwezig te zijn in het nu, van moment tot moment, ga je beter zien dat je een keuze hebt, van moment tot moment. Als kind heb je dat vermogen nog niet, maar naarmate we ouder worden lukt dat steeds beter.

Tara Brach sprak in een van haar dharma talks over hoe ons gedrag soms generaties teruggaat en dat onze issues in eerste instantie niet ‘onze schuld’ zijn. Ben je het daarmee eens?
Psycholoog Louis Cozolino heeft een interessante case beschreven van een patiënt die constant angstig was, ondanks dat hij een goed leven had en er geen aanleiding leek te zijn voor die angst. Toen hij in zijn familiegeschiedenis dook kwam hij erachter dat zijn ouders Holocaust-overlevenden waren. Ze hadden daar nooit over gesproken, maar het verklaarde zijn ervaring van wat we intergenerational transmission of trauma noemen.

Is dat misschien een mooie moderne term voor familiekarma?
Ja, misschien wel. Trauma treedt op wanneer een gebeurtenis ons coping systeem overweldigt. We schieten dan in een kramp, een overlevingsreactie. Die impact van een trauma en bijbehorend coping systeem kan van generatie op generatie worden overgedragen, zonder dat iemand het door heeft. Je neemt de overlevingsstrategie van je ouders over, terwijl die feitelijk niet meer bij de huidige situatie past. Therapie kan dan nodig zijn om dat patroon te doorbreken.

Maar zitten patronen soms misschien niet te diep, zodat je überhaupt niet op het idee komt dat je aan jezelf kunt werken?
Ik denk dat ieder mens het vermogen bezit om te veranderen, dat dit is aangeboren. Het is een life force. Het wordt problematisch wanneer we deel uitmaken van een familie die de verandering niet ondersteunt of aanmoedigt of misschien zelfs wel bestraft.

Het vermogen tot zelfreflectie bevindt zich in het prefrontale cortexgedeelte van het brein en is doorgaans pas helemaal volgroeid wanneer iemand 25 jaar oud is. Dus we moeten sowieso eerst volwassen zijn om verantwoordelijkheid voor onze eigen keuzes te kunnen dragen. Als een volwassen persoon dat vermogen mist, is therapie een goeie manier om dat te ontwikkelen of versterken. Want ja, een therapie staat of valt bij het kunnen reflecteren.

In het boeddhisme is dat niet anders. Een van de stappen op het achtvoudig pad is juiste inspanning. Dat gaat over het maken van een onderscheid tussen wat gezond is en wat niet. In die zin ontwikkel je in therapie systematisch het vermogen om dat onderscheid te maken en van daaruit je keuzes te maken.

Het lijkt er op dat boeddhistische beoefening en therapie dan op hetzelfde neerkomen. Maar vullen ze elkaar misschien ook aan?
Toen ik mijn boek Bouncing Back scheef, liep ik tegen een dilemma aan. Psychotherapie lijkt erop gericht te zijn om ons ego of zelfbeeld te versterken, terwijl het boeddhisme juist aanmoedigt om ons vaste idee van onszelf los te laten, omdat het ‘zelf’ altijd in verandering is. Maar beide benaderingen zijn waardevol. We hebben een ego nodig om ons staande te houden in de wereld. En tegelijkertijd is het belangrijk om ons vrij te voelen van dat ‘ik’, omdat het zo afhankelijk is van omstandigheden en in die zin relatief.

Welke hechtingsstijl zou de Boeddha zelf hebben gehad?
De Boeddha koos voor onthechting en je kunt je afvragen in hoeverre dat gezond was. Maar zijn spirituele onderzoek leidt hoe dan ook naar verlichting, een veilige hechtingsstijl, waarin hij in staat bleek om een gemeenschap om zich heen te creëren en ook zijn vrouw en zoon daarin op te nemen. Iets wat overigens bijzonder was voor die tijd, aangezien vrouwen toen nog helemaal geen status hadden in spirituele gemeenschappen.

Stel dat we eenmaal besluiten dat we bewuster keuzes willen maken, hoe weet je dan wanneer een keuze de juiste is?
Spirituele beoefening brengt ons in harmonie met de Boeddhanatuur, het ervaren van een innerlijke rust of balans. We weten dan: dit voelt juist, dit is mijn thuis. In die zin geloof ik in het bestaan van een innerlijk kompas.

Er is ook neurologisch onderzoek gedaan naar hoe dat werkt. Studies wijzen uit dat het brein van mensen die mindfulness en (zelf)compassie beoefenen meer activiteit vertoont in de linkerhersenhelft. Dat is het gedeelte van het brein waarmee een persoon meer kan handelen vanuit openheid en kan openstaan voor verandering. Dit noem ik ook wel the left shift.

En hoe ga je om met je familie, als je in therapie bent geweest en de regels van de ‘family game’ wil veranderen?
Wanneer mensen dat soort veranderingen doormaken, weten ze vaak hun innerlijk kompas wel te gebruiken in de omgang met familie. Compassie met jezelf sterkt ook je vermogen om met compassie naar anderen te handelen.

Gisteravond nog vertelde ik tijdens een bijeenkomst een verhaal van een vrouw die de boeddhistische beoefening had ontdekt. Ze werd erg fanatiek en probeerde haar familie met man en macht ervan te overtuigen hoe goed het nu wel niet met haar ging. Later veranderde dat en werd ze steeds meer dat wat ze predikte. Haar ouders zeiden toen: dat je boeddhist was geworden vonden we niet zo geweldig, maar nu je een Boeddha bent zijn we toch wel blij.

Bekijk If mama ain’t happy, nobody’s happy:

 

Verspreid het woord:

Ik hou van dialoog!